Een belangrijk knelpunt in de biologische varkenshouderij is de maagdarmgezondheid van gespeende biggen (met name speendiarree/slingerziekte). In de voeding van biologische varkens mogen bepaalde eiwitleverende grondstoffen en synthetische aminozuren niet gebruikt worden. Hierdoor is het moeilijker om biggenvoeders samen te stellen met gewenste aminozuurprofielen en aminozuurgehalten, zonder een ongewenste toename van de hoeveelheid onverteerbaar eiwit. Onverteerbaar eiwit is namelijk een belangrijke veroorzaker van maagdarmstoornissen.
In gangbare biggenvoeders is vaak een redelijk deel van het eiwit/aminozuren afkomstig uit sojaproducten, zoals sojabonen en sojaschroot. De eiwitverteerbaarheid van deze producten is goed en ligt rond de 80 á 85%. Het verwerken van sojaschroot is in biologische voeders echter niet toegestaan, terwijl het aanbod van regionaal geproduceerde biologische sojabonen beperkt is, omdat men dit gewas onder West-Europese klimaatsomstandigheden niet kan verbouwen. Bovendien is de kans aanwezig dat de regelgeving het verwerken van gangbare sojabonen in biologisch voer vanaf 2005 verbiedt.
Een mogelijk alternatief voor sojaproducten is erwten. Deze zijn in ons land wel goed te telen. De gemiddelde eiwitverteerbaarheid van erwten is echter lager dan van de sojaproducten: rond de 75%. Hierdoor staan erwten in de gangbare varkenshouderij niet bekend als een hoogwaardige eiwitbron voor biggenvoeders. Het advies is om in biggenvoeders maximaal 5% erwten te verwerken. Er zijn echter aanwijzingen dat de eiwitverteerbaarheid van erwten toeneemt wanneer deze voldoende fijn gemalen worden, waardoor men een hoger percentage kan verwerken in biggenvoeders.
We hebben onderzocht wat de effecten op de gezondheid en technische resultaten van biologisch gehouden gespeende biggen zijn van fijngemalen biologisch geteelde erwten in het speenvoer (7,5%) en opfokvoer (8,5 en 17,5%) in vergelijking met voeders zonder erwten. De erwten zijn uitgewisseld tegen sojabonen en granen. Het onderzoek is uitgevoerd in opdracht van Nutreco en het Ministerie van LNV.
Op een leeftijd van gemiddeld 40 dagen zijn de biggen gespeend en ingedeeld voor de proef. In totaal zijn 792 biggen, verdeeld over 18 herhalingen per behandeling, vanaf spenen 27 dagen gevolgd.
De belangrijkste conclusies van dit experiment zijn:
- Biggen die tijdens de eerste week na spenen biologisch speenvoer krijgen met 7,5% erwten realiseren in die periode een hogere voer- en EW-opname, een hogere groei en een tendens tot een lagere voederconversie dan de biggen die speenvoer zonder erwten krijgen.
- Het erwtenniveau in speenvoer en opfokvoer heeft geen effect op de technische resultaten in de periode van 8 tot 15 dagen na opleg, van 15 tot 27 dagen na opleg en gedurende de hele opfokperiode.
- Erwten in speenvoer en opfokvoer hebben zeker geen negatief effect op de mate van optreden en ernst van diarree. Speenvoer met 7,5% erwten, gevolgd door een opfokvoer met 17,0% erwten, heeft in de tweede week na opleg in vergelijking met de andere behandelingen zelfs een gunstig effect op de mate van optreden en ernst van diarree.
- Speenvoer zonder erwten in combinatie met opfokvoer met 17% erwten resulteert in minder biggensterfte dan bij andere behandelingen.
- Door het verstrekken van opfokvoer met 17% erwten stijgen in dit experiment de voerkosten per afgeleverde big in vergelijking met opfokvoer met 0% of 8,5% erwten. Er is echter geen effect van het aandeel erwten in het speen- en opfokvoer op het saldo van ‘opbrengsten min voerkosten’.
- Het hoogste saldo van ‘opbrengsten min kosten’ wordt gerealiseerd met een speenvoer zonder erwten in combinatie met een opfokvoer met 17% erwten.
Praktijktoepassing
We kunnen vaststellen dat fijngemalen erwten in voeders van biologisch gehouden biggen goed mogelijk is. Over de hele opfokperiode was er geen effect van het uitwisselen van getoaste sojabonen en granen voor fijngemalen erwten in het voer op de technische resultaten van de biggen. Biggen die speenvoer met 0% erwten en opfokvoer met 17% erwten kregen hadden wel minder vaak en in minder ernstige mate diarree, minder biggensterfte en daardoor een hoger saldo van ‘opbrengsten min kosten’. Op basis hiervan kunnen we vaststellen dat erwten voor biologische biggen een goed verteerbare eiwitbron is. In biggenvoeders kan men erwtenniveaus tot 17% toepassen, mits de erwten fijn gemalen zijn, het aminozuurprofiel van het voer op peil gehouden wordt en de erwten een laag gehalte aan anti-nutritionele factoren bevatten.
Lees meer in ASG rapport 'Erwten in voeders voor biologisch gehouden gespeende biggen'