Raalte - Onderzoek - Effect van voerstrategieën op dierprestaties en gezondheid van biologisch gehouden biggen

In de gangbare varkenshouderij worden zuigende biggen vaak bijgevoerd met een melkkorrel: een smakelijk en goed verteerbaar product dat rijk is aan melkeiwitten en lactose. Het is bedoeld om de opname van vast voedsel in een vroegtijdig stadium te stimuleren, zodat de biggen vanaf het moment van spenen probleemloos kunnen overschakelen op vast voer. Een vlotte opname van vast voer direct na het spenen is een belangrijke factor bij het voorkómen van speendiarree en slingerziekte. Vanwege het geringe marktsegment dat de biologische varkenshouderij in Nederland inneemt is het voor leveranciers van melkkorrels momenteel niet interessant om een biologische melkkorrel op de markt te zetten. Op biologische varkenshouderijbedrijven krijgen de biggen tijdens de zoogperiode soms speenvoer, maar nog vaker biggenopfokkorrel verstrekt. Vermoedelijk nemen zuigende biggen veel minder biggenopfokkorrel en speenkorrel op dan melkkorrel, hetgeen de kans op speenproblemen vergroot. Op dit moment is onduidelijk in hoeverre de technische en economische resultaten en diergezondheid van biggen tijdens de opfokperiode beïnvloed worden door de gehanteerde voerstrategie bij de biggen tijdens de zoogperiode.

In opdracht van Nutreco en het Ministerie van LNV heeft Praktijkonderzoek bij biologisch gehouden biggen onderzocht wat het effect is van verschillende voerstrategieën voor het spenen op dierprestaties en gezondheid na het spenen. Het experiment omvatte 3 proefbehandelingen:

  1. 1-fasen-strategie:
    Vanaf een leeftijd van 13 dagen tot aan het einde van de biggenopfokperiode (gewicht circa 23 kg) is aan de biggen een biggenopfokkorrel verstrekt.
  2. 2-fasen-strategie:
    Vanaf een leeftijd van 13 dagen tot één week voor het spenen is aan de biggen melkkorrel verstrekt, waarna de biggen tot aan het einde van de biggenopfokperiode een biggenopfokvoer kregen.
  3. 3-fasen-strategie:
    Vanaf een leeftijd van 13 dagen tot één week voor het spenen is aan de biggen melkkorrel verstrekt. Vanaf 1 week voor het spenen tot 1 week na het spenen is speenkorrel verstrekt. Vervolgens is tot het einde van de opfokperiode biggenopfokvoer verstrekt.

Het onderzoek is uitgevoerd op het Praktijkcentrum Raalte in de periode van juli 2003 tot en met februari 2004. In totaal zijn tijdens de zoogperiode 54 tomen (18 tomen per behandeling) met in totaal 675 biggen ingedeeld voor de proef. De tomen biggen zijn bij het spenen, op een leeftijd van gemiddeld 41 dagen, in tact gelaten en verplaatst naar een biggenopfokafdeling. De dieren zijn vervolgens nog vier weken gevolgd. Tijdens het onderzoek zijn de volgende gegevens verzameld. Alle biggen zijn individueel gewogen op circa 13 dagen na de geboorte, één week voor het spenen, op de dag van spenen, en op dag 8, op dag 15 en op dag 28 (afsluiting van de proef) na spenen. Bij iedere weging is de tot dan toe verstrekte hoeveelheid voer per hok geregistreerd.
Het optreden en het verloop van ziekten en/of gebreken en de behandeling daarvan zijn per dier geregistreerd. Bij uitval van een dier zijn de datum, het gewicht en de vermoedelijke oorzaak van uitval genoteerd. Gedurende de eerste drie weken na spenen zijn alle hokken drie maal per week beoordeeld op het vóórkomen van diarree.

De belangrijkste conclusies van dit experiment zijn:

  • Verstrekking van melkkorrel in plaats van opfokkorrel vanaf dag 13 van de zoogperiode tot één week voor spenen stimuleert de voeropname, zowel per toom als per big, en resulteert in een hogere groei. Deze voordelen worden echter in de laatste week van de zoogperiode teniet gedaan als de biggen één week voor spenen worden overgeschakeld van melkkorrel naar speenvoer of opfokvoer.
  • De voerstrategie tijdens de zoogperiode heeft geen invloed op het aantal uitgevallen biggen en het aantal veterinair behandelde dieren tijdens de zoogperiode.
  • De voerstrategie voor spenen heeft geen aantoonbaar effect op de technische resultaten na het spenen. De biggen die tijdens de zoogperiode melkkorrel kregen hebben tijdens de opfokperiode absoluut gezien wel een hogere voeropname en groei in vergelijking met biggen die geen melkkorrel kregen.
  • Bij biggen die tijdens de zoogperiode melkkorrel kregen treedt in de eerste week van de opfokperiode minder vaak diarree op en in minder ernstige mate dan bij biggen die tijdens de zoogperiode opfokkorrel kregen. Biggen die rond het spenen speenvoer kregen hebben in de tweede week van de opfokperiode een betere mestconsistentie dan biggen die rond het spenen opfokvoer kregen.
  • De voerstrategie tijdens de zoogperiode heeft geen invloed op het aantal uitgevallen biggen en het aantal veterinair behandelde dieren tijdens de opfokperiode.
  • Er is geen verschil in opbrengst, voerkosten en saldo per afgeleverde big tussen de drie vergeleken voerstrategieën.

Lees meer in ASG rapport 'Effect van voerstrategieën op dierprestaties in voeders voor biologisch gehouden gespeende biggen'

 

  
Print deze pagina