De energie- en aminozurenbehoeften van vleesvarkens in de gangbare houderij zijn goed onderbouwd. Door diverse factoren kan de energie- en aminozurenbehoeften van biologisch gehouden vleesvarkens afwijken van die van gangbare varkens. De belangrijkste factoren zijn huisvesting, klimaat en activiteit. In opdracht van het Ministerie van LNV is een literatuurstudie uitgevoerd om antwoord te geven op de vraag in hoeverre de energieen aminozurenbehoeften van biologisch gehouden vleesvarkens afwijken van die van gangbare vleesvarkens. Ook is nagegaan welke aanpassingen in de rekenregels van groeimodellen doorgevoerd moeten worden om de energie- en aminozurenbehoeften van biologische vleesvarkens te kunnen modelleren.
De omgevingstemperatuur is in een biologische vleesvarkensstal vaak lager dan in een gangbare stal. Onder een bepaalde omgevingstemperatuur stijgt de warmteproductie, wat resulteert in een hogere energiebehoefte. Tot op zekere hoogte zijn varkens in staat om deze extra warmteproductie te compenseren door een hogere voeropname. In dit rapport is een recent ontwikkeld rekenmodel (Quiniou et al., 2000, 2001) opgenomen, waarmee men op basis van de omgevingstemperatuur en het lichaamsgewicht de opnamecapaciteit en warmteproductie van varkens kan berekenen. De resultaten van enkele simulaties met dit model zijn in het rapport vergeleken met het in Nederland veel toegepaste model BEZOVA.
De conclusies en aanbevelingen uit deze studie zijn:
- Biologisch gehuisveste varkens hebben in vergelijking met gangbaar gehuisveste varkens meer energie nodig voor het handhaven van hun lichaamstemperatuur. Uit praktijkcijfers en onderzoeksresultaten blijkt dat biologisch gehuisveste vleesvarkens gemiddeld een hogere voeropname realiseren en dus meer energie opnemen dan gangbare varkens. Gemiddeld genomen hebben ze ook een ongunstigere voederconversie.
- Voor het handhaven van de lichaamstemperatuur is dus wel meer energie, maar geen extra eiwit nodig. Daarom kunnen voor varkens vanaf 50 kg voeders samengesteld worden met een iets lagere lysine/energieverhouding dan gebruikelijk in voeders voor gangbare varkens.
- Aangezien biologische varkens bij lage omgevingstemperaturen slechts in beperkte mate gebruik maken van de buitenuitloop, hoeft op basis van de huidige inzichten bij het modelmatig berekenen van de energiebehoefte weinig aandacht aan de temperatuursinvloed van de buitenuitloop besteed te worden.
- Bij het modelmatig berekenen van de energiebehoefte van vleesvarkens dient men uit te gaan van de effectieve temperatuur in plaats van de omgevingstemperatuur. De effectieve temperatuur kan afwijken van de omgevingstemperatuur door wel of geen isolatie van het gebouw, wel of geen tocht, het beschikken over een strobed en de vloeruitvoering.
- Zwaardere varkens zijn beter in staat om met extra voeropname te compenseren voor lagere omgevingstemperaturen dan lichtere varkens. Quiniou et al. (2000) hebben een bruikbare formule ontwikkeld voor het simuleren van de voeropnamecapaciteit van vleesvarkens in afhankelijkheid van omgevingstemperatuur en lichaamsgewicht.
- De berekende warmteproductie volgens het model van Quiniou et al. (2001) valt in alle gevallen hoger uit dan volgens het model BEZOVA. Bij temperaturen van 20 0C of hoger is het verschil in warmteproductie tussen beide modellen gering en constant. Wanneer de temperatuur daalt onder de 20 0C stijgt het verschil tussen beide modellen exponentieel, zelfs tot 28% bij 10 0C voor varkens van 25 kg. Mogelijk overschat het model van Quiniou de warmteproductie, omdat de varkens in de onderliggende experimenten in kleine groepen gehouden werden en een zeer hoge groei realiseerden. Mogelijk onderschat BEZOVA de warmteproductie doordat de huidige varkensrassen magerder zijn dan de varkens in de experimenten in de tachtiger jaren. Het gevolg hiervan is dat de huidige varkens zichzelf minder goed kunnen isoleren. Op dit punt zou BEZOVA mogelijk geactualiseerd kunnen worden
.
Praktijktoepassing
In verband met forse kortingen op de uitbetalingsprijs bij onvoldoende slachtkwaliteit zijn mengvoerbedrijven op dit moment zeer terughoudend in het verlagen van de aminozurengehalten in het biologisch vleesvarkensvoer. Daarom is het wenselijk dat er meer inzicht komt in de optimale aminozuren/energieverhouding van biologische voeders. Daarnaast is aanvullend onderzoek nodig om meer inzicht te krijgen in het niveau en de schommelingen van de effectieve temperatuur in verschillende typen biologische vleesvarkensstallen. De effectieve temperatuur is een belangrijke input variabele in modellen waarmee men de armteproductie van vleesvarkens berekent.
Tot slot dient de conclusie over het beperkte effect van de buitenuitloop op de energiebehoefte gevalideerd te worden.
Lees meer in ASG rapport 'Energie- en eiwitbehoefte van biologisch gehouden vleesvarkens'