De biologische varkenshouderij kent, door de eisen die aan deze vorm van varkenshouderij worden gesteld, een aantal specifieke knelpunten. Een ervan is de gezondheid van biologische biggen, met name in de eerste weken na het spenen. In de praktijk blijkt grote variatie te bestaan in huisvesting, verzorging, voerstrategie, gezondheidsmanagement en resultaten van biologische biggen. Opvallend is dat een aantal biologische bedrijven niet of nauwelijks gezondheidsproblemen bij de gespeende biggen heeft, terwijl anderen duidelijk meer problemen hebben.
In het kader van dit onderzoek is op 19 biologische vermeerderingsbedrijven geïnventariseerd welke factoren van invloed kunnen zijn op de gezondheid van de biggen na spenen en welke maatregelen gezondheidsproblemen zo veel mogelijk kunnen terugdringen. Omdat de fase vóór spenen mede van invloed kan zijn op de gezondheid van gespeende biggen is ook aandacht besteed aan de hoogdrachtige zeug en de biggen tijdens de zoogperiode. Aspecten als bedrijfsvoering, voerstrategie, huisvesting en gezondheidsmanagement op deze bedrijven zijn beschreven. Vervolgens is nagegaan of er relaties zijn tussen deze aspecten en technische resultaten, gezondheidsproblemen en uitval. Op basis van deze observationele studie is het, mede door het geringe aantal bedrijven, echter niet altijd mogelijk om ‘oorzaak’ en ‘gevolg’ te onderscheiden. Er is daarnaast zeker sprake van onderlinge samenhang (correlatie) tussen de verschillende aspecten.
Op basis van deze inventarisatie is samenhang gevonden met een aantal bedrijf- en managementaspecten. Aspecten die een gunstige invloed lijken te hebben op gezondheidsproblemen en het uitvalspercentage in de zoogperiode en/of opfokperiode zijn:
- het besteden van extra aandacht aan de zeug (en de biggen) rond het werpen;
- het na iedere ronde reinigen, en bij voorkeur ook ontsmetten, van de kraamhokken;
- het na iedere ronde reinigen van de biggenopfokhokken;
- het inleggen van de zeug in het kraamhok niet laten samenvallen met een abrupte voeroverschakeling;
- de zeug vlak voor werpen maximaal 2,5 kg voer per dag verstrekken;
- het beginnen met bijvoeren van de zuigende biggen bij een leeftijd van circa 14 dagen of bij circa 25 dagen; het bijvoeren vanaf circa 21 dagen leeftijd, of ná zo’n 30 dagen na de geboorte, lijkt minder gunstig;
- het gebruik van een biggenkom om de biggen te laten wennen aan het opnemen van vast voer;
- het verstrekken van leidingwater aan de zeug en de biggen in de kraamstal;
- een (extra) watervoorziening voor de gespeende biggen gescheiden van het voersysteem;
- het kraamhok is niet (veel) groter dan de norm van 7,5 m2;
- er is een klimaatregeling in de kraamafdelingen, waarmee een minimum ruimtetemperatuur van circa 15 °C wordt nagestreefd, en een ventilator die (bij hoge(re) ruimtetemperaturen) de luchtverversing ondersteunt;
- wanneer de ruimtetemperatuur regelmatig onder circa 15 °C blijft, verdienen extra verwarmingsmogelijkheden in de kraamstal aanbeveling;
- de biggen bij het spenen nog minimaal enkele dagen in het kraamhok laten liggen;
- voldoende stro in het kraamhok, met name in het biggennest;
- zeugen niet (alleen) bij inleg in het kraamopfokhok ontwormen;
- voldoende stro in het biggenopfokhok;
- het gebruik van een ventilator in de biggenopfokafdelingen om de luchtaan- en afvoer te (kunnen) beïnvloeden
.
Op basis van deze inventarisatie lijken het voldoende warm houden van de omgeving van de dieren (door het voldoende hoog houden van de ruimtetemperatuur, een voldoende dikke laag stro in de kraam- en opfokhokken) en een goede ventilatie van de kraam- en biggenopfokafdeling (bij voorkeur ondersteund door een ventilator) relatief belangrijke aspecten. Daarnaast verdienen voerstrategie van zeugen en biggen en hygiëne aandacht.
Bepaalde (combinaties van) maatregelen zullen waarschijnlijk niet op alle bedrijven alle problemen oplossen. Deze inventarisatie kan wel leiden tot het bewust(er) bekijken van bedrijfsvoering en bedrijfsuitrusting, en waar nodig aanpassingen doorvoeren.
Lees meer in het ASG rapport 'Mogelijkheden ter verbetering van de gezondheid van gespeende biologische biggen'