In de biologische varkenshouderij is het wettelijk verplicht om ruwvoer te verstrekken aan drachtige zeugen. Hoewel weidegang voor drachtige zeugen geen wettelijke verplichting is, stelt de vleesverwerkende industrie weidegang bij drachtige zeugen wel als voorwaarde in het kader van afspraken over prijsgaranties van biologisch vlees. Zeugen gebruiken de wei niet alleen als uitloop, maar ze nemen ook gras op. Tot nu toe was echter niet bekend hoeveel ruwvoer en vers gras zeugen opnemen en wat de voederwaarde hiervan is. Hierdoor kan men niet aangeven hoeveel mengvoer op een verantwoorde wijze vervangen kan worden door ruwvoer.
Op basis van drie experimenten is de individuele opname van een aantal soorten ruwvoer en vers gras evenals de verteerbaarheid van deze producten bij biologisch gehouden drachtige zeugen bepaald.
In het eerste experiment, uitgevoerd in de nazomer van 2002, is de opname van gras in de weide gemeten bij vier groepen van elk vijf zeugen, die ofwel beperkte (2 uur per dag) of onbeperkte toegang tot de weide hadden. De zeugen kregen naast het gras dagelijks 2,5 kg commercieel dragend zeugenvoer en onbeperkt graskuil en stro. De opname van de afzonderlijke rantsoencomponenten is bepaald met behulp van de alkaantechniek. Hiervoor is het alkaanprofiel van de rantsoencomponenten en van de mest bepaald. Op basis hiervan, en rekening houdend met de recovery van de afzonderlijke alkanen, is met de regressieanalyse geschat in welke verhouding deze componenten opgenomen moeten zijn om het alkaanprofiel van de mest te verklaren.
In het tweede experiment, uitgevoerd in de winter van 2003/2004, is de individuele opname gemeten van grashooi, kuilgras, snijmaïs en luzerne bij vier groepen met in totaal 22 drachtige zeugen. Zij kregen naast deze ruwvoeders nog 2,25 kg commercieel dragend zeugenvoer. De proef was opgezet als een Latijns vierkant, waarbij de groepen zeugen elke 3 weken wisselden van ruwvoersoort. De ruwvoeropname werd volledig automatisch geregistreerd met een RIC-bak (Roughage Intake Control).
Het derde experiment, uitgevoerd in de zomer van 2004, was qua opzet en uitvoering vergelijkbaar met het tweede experiment. In dit experiment is de opname van jong en ouder vers gras gemeten bij twee groepen van elk vijf drachtige zeugen.
De belangrijkste conclusies zijn hieronder beschreven:
- De alkaantechniek maakt het mogelijk om de opname van verschillende grondstoffen binnen een rantsoen te schatten. Deze grondstoffen dienen dan wel een onderscheidend alkaanprofiel te hebben.
- De gemiddelde grasopname van grazende zeugen wordt in dit experiment met de alkaantechniek geschat op ruim 0,5 kg droge stof.
- De recoverywaarden voor de alkanen beïnvloeden de opnameschattingen, hoewel het effect op de grasopname relatief gering was. Op basis van de recoveries volgens Wilson et al., (1999) werd de dagelijkse grasopname 40 gram/dag hoger ingeschat dan volgens de recoveries van Kemme et al., (2005).
- De tijd die zeugen gemiddeld besteden aan het opnemen van ruwvoer is sterk afhankelijk van het soort ruwvoer en varieert van een half uur per dag bij grashooi tot bijna 2 uur per dag bij snijmaïs.
- Zeugen die snijmaïs of kuilgras krijgen, laten een sterke opnamepiek zien in de vroege ochtend. Zeugen die snijmaïs of ouder gras krijgen, vertonen een sterke opnamepiek in de avond. Het opnameverloop van de andere onderzochte ruwvoeders is redelijk gelijkmatig verdeeld over de dag.
- De hoeveelheid ruwvoer die biologisch-gehouden drachtige zeugen opnemen, hangt sterk af van het soort ruwvoer. De zeugen nemen meer ruwvoer op wanneer de voederwaarde hoger is. Gemiddeld namen de zeugen in deze experimenten naast 2,25 kg mengvoer 0,87 kg grashooi, 2,12 kg kuilgras, 1,26 kg luzerne, 5,15 kg snijmaïs, 4,37 kg jong gras en 4,11 kg ouder gras op.
- Zeugen realiseren op basis van de hierboven genoemde hoeveelheden ruwvoer de volgende energieopnamen per dag: 0,15 EW via grashooi, 0,60 EW via kuilgras, 0,35 EW via luzerne, 1,50 EW via snijmaïs, 0,52 EW via jong gras en 0,60 EW via ouder gras.
- Zeugen die gedurende de winterperiode naast 2,25 kg standaard dragend zeugenvoer per dag grashooi, kuilgras of luzerne krijgen, zijn niet in staat om hun lichaamsconditie op peil te houden; met snijmaïs wel.
- Zeugen die gedurende de zomerperiode naast 2,25 kg standaard dragend zeugenvoer per dag jong of ouder vers gras krijgen, zijn wel in staat om hun lichaamsconditie op peil te houden.
Betekenis voor de praktijk
Met de alkaantechniek hebben we inzicht gekregen in de opname van de afzonderlijke bestanddelen van het rantsoen: weidegras, kuilgras, stro en het mengvoer. Op basis van deze informatie kon tevens de verteerbaarheid van de totale rantsoenen berekend worden.
Dankzij de kennis van de voederwaarde van de onderzochte ruwvoeders en de hoeveelheid die ervan opgenomen wordt, kunnen we nu redelijk inschatten hoeveel mengvoer men door ruwvoer kan vervangen. Onze aanname dat zeugen in de winterperiode bij onbeperkt ruwvoer de voederwaarde van 1 kg mengvoer kunnen compenseren, bleek alleen voor snijmaïs correct te zijn. Voor de meeste onderzochte ruwvoeders en bij weidegang geldt dat slechts een vermindering van de voergift met maximaal 0,5 kg verantwoord is. De samenstelling van het mengvoer dient daarbij wel afgestemd te zijn op het soort ruwvoer dat de zeugen krijgen. Het mengvoer dat men naast snijmaïs voert, behoeft minder energie te bevatten omdat snijmaïs veel energie bevat. In het mengvoer dat men naast vers gras verstrekt, kan juist het eiwitgehalte wat verlaagd worden. In verband met de veranderende samenstelling van het verse gras in de loop van het seizoen dient ook de samenstelling van het aanvullende mengvoer hierop afgestemd te worden. Daarnaast dient in de aanvullende voeders ook gecorrigeerd te worden voor de lagere gehalten aan vitaminen en mineralen in de ruwvoeders en de eventuele negatieve gevolgen van ruwvoeropname op de absorptie van deze nutriënten.
Lees meer in ASG rapport 'Ruwvoeropname bij biologisch gehouden drachtige zeugen'