Raalte - Onderzoek - Toepassing van kleinschalige windturbines in de varkenshouderij

Nederland kent de nationale ambitie om in 2010 9% van de nationale elektriciteitsproductie te dekken uit duurzame bronnen. Windenergie kan daar een groot aandeel van uitmaken. Om deze doelstellingen te realiseren is tussen nationale en regionale overheden de Bestuursovereenkomst Landelijke Ontwikkeling Windenergie (BLOW) afgesloten. In dit convenant leggen de provincies zichzelf doelstellingen op ten aanzien van het in 2010 gerealiseerd vermogen aan windenergie op land. De afgelopen jaren is echter de maatschappelijke weerstand tegen windenergie steeds verder toegenomen. Vrees voor geluidsoverlast, verstoring van het landschap en gevaren voor vogels zijn veelgehoorde argumenten in bezwaarprocedures. Het gaat hierbij vrijwel zonder uitzondering om grote windmolens, d.w.z. windmolens met een vermogen van minimaal 1 MW. De toch al langdurige weg die initiatiefnemers moeten bewandelen wordt door deze bezwaren meestal behoorlijk verlengd.
Omdat kleine windturbines de bovengenoemde nadelen niet of in mindere mate hebben kunnen ze een aantrekkelijk alternatief zijn. Om dit te onderzoeken en ervaringen op te doen heeft de Provincie Overijssel (Europa Loket) subsidie verleend voor de plaatsing van twee kleinschalige windturbines op Praktijkcentrum Raalte.
Doel van het project is inzicht verwerven in de technische en financiële mogelijkheden van toepassing van kleinschalige windturbines op een agrarisch bedrijf, in dit geval een varkenshouderij, en het uitdragen van opgedane ervaringen naar agrarische ondernemers.
Op praktijkcentrum Raalte zijn twee molens geplaatst, allebei met een horizontale turbineas en dus werkend volgend het liftprincipe. De ene molen is een Fortis MONTANA geleverd door Fortis Windenergy, de andere een TWFi 280 geleverd door The Wind Factory. De Fortis MONTANA is solitair opgesteld op een grasveldje en voorzien van tuikabels. De TWF is naast een stal geplaatst waarbij de spanten van de stal gebruikt worden om de molen te steunen.
Voor de plaatsing van de molens is een bouwvergunning vereist. Omdat het voorgestelde bouwplan is strijd was met het geldende bestemmingsplan kon geen bouwvergunning verleend worden. Daarop is op basis van artikel 15 en 17 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening ontheffing verleend voor een periode van 5 jaar.
Beide molens zijn voorzien van energiemeters die automatisch uitgelezen kunnen worden. Gegevens over de windsnelheid en -richting zijn van het KNMI weerstation in Heino betrokken.
Naast de energie- en windsnelheidsmetingen is ook een geluidsmeting uitgevoerd. Doel van de meting was te onderzoeken of de geluidsproductie van de windmolens hoger is dan het achtergrondgeluid. Tenslotte is op twee tijdstippen onder medewerkers en omwonenden een tevredenheidonderzoek uitgevoerd.
Op verschillende manieren is aandacht besteed aan de start van het project, de plaatsing van de molens, de verwachtingen en de uiteindelijke resultaten. Er zijn artikelen geschreven in de agrarische pers, nieuws en persberichten geplaatst op de website en er zijn presentaties gehouden. Tenslotte is in november 2005 een studiedag duurzame energie op Praktijkcentrum Raalte georganiseerd waar ook de windmolens onderdeel uitmaakten van het programma en waar de voorlopige resultaten zijn gepresenteerd.
Resultaten
De gemiddelde windsnelheid door het KNMI gemeten op het weerstation in Heino was tussen 1 januari 2005 en 31 mei 2006 3,2 m/s.
Sinds de ingebruikname heeft de Fortis MONTANA 4300 kWh opgewekt. De TWF 280 heeft sinds de ingebruikname 537 kWh opgewekt. In tabel A zijn de hieruit berekende jaarproductie weergegeven samen met de door de leveranciers opgegeven jaarproductie en de vooraf berekende opbrengst.
Tabel A Overzicht van jaarproducties van beide molens in kWh
|
|
|
|
| Molen |
Leveranciers |
Berekend |
Gemeten |
| FortisMONTANA |
7053 |
6880 |
2633 |
| TWF 280 |
3750 |
1470 |
499 |
Het verschil tussen de berekende en gemeten jaarproductie wordt veroorzaakt door het ontbreken van juiste parameters voor deze kleine molens.
Uit de geluidsmetingen bleek dat het achtergrondgeluid vele malen hoger ligt dan het geluid van de windmolens.
Uit het tevredenheidonderzoek bleek dat de houding ten opzichte van groene stroom in het algemeen positiever werd. In een jaar tijd lijken de verwachtingen ten aanzien van de windsmolens af te nemen. Het percentage mensen dat de ontwikkeling leuk vindt maar er geen hoge verwachtingen van heeft is in 2005 toegenomen ten opzichte van 2004. Positief is dat het aantal respondenten dat de geplaatste molens veilig vindt sterk toeneemt in 2005 ten opzichte van 2004.
Uit de berekeningen blijkt dat beide molens niet rendabel geëxploiteerd kunnen worden. Het break-even punt ligt voor de Fortis MONTANA bij een elektriciteitsproductie van 14.775 kWh per jaar wanneer geen MEP subsidie verleend wordt en op 9.850 kWh er jaar wanneer er wel MEP subsidie verleend wordt. Voor de TWF is dat respectievelijk 9.780 en 6.520 kWh per jaar.
Geconcludeerd kan worden dat op bedrijfsniveau het gezien de lage elektriciteitsopbrengst en de lange terugverdientijd niet rendabel is te investeren in dit type molens. Alleen in windrijke gebieden is de molen rendabel te exploiteren. Het is dan ook onwaarschijnlijk dat veehouders in Overijssel dit op grote schaal zullen doen.
Daarvoor waait het te weinig in dit deel van Nederland. Dit sluit niet uit dat op sommige plaatsen in de provincie Overijssel of in andere provincies in Nederland niet rendabel geïnvesteerd kan worden in dit type; de bijdrage van kleinschalige windenergie aan het bereiken van regionale en nationale doelstellingen op het gebied van duurzame energie en terugdringing van de uitstoot van broeikasgassen zal echter gering zijn. Desondanks kunnen kleinschalig windmolens wel een bijdrage leveren aan een positieve houding ten opzichte van duurzame energie. Daarom wordt aanbevolen de bestaande knelpunten rond vergunning verlening zo snel mogelijk op te lossen waardoor het eenvoudiger wordt om een molen te plaatsen.
Lees meer in ASG rapport 'Toepassing van kleinschalige windturbines in de varkenshouderij'