Het high-techbedrijf gaat het nieuwe seizoen 2005 in met een nieuw bouwplan. Hiermee wil het bedrijf vooruitlopen op de gevolgen van het nieuwe mestbeleid dat vanaf 1 januari 2006 van kracht wordt. Het stelsel van MINAS-verliesnormen zal dan worden vervangen door een stelsel van gebruiksnormen. Hoewel het Nederlandse derogatieverzoek om meer dierlijke mest toe te dienen (250 kg N/ha in plaats van 170 kg N/ha) nog niet geheel hard te noemen is, wil het high-techbedrijf hiermee toch al dit jaar van start gaan. Dit om bepaalde effecten van het nieuwe mestbeleid met derogatie op bedrijfsniveau zichtbaar te maken voor de praktijk. Zo’n effect is wijziging van het bouwplan in 70% gras. De overige 30% wordt dan ingevuld door voedergewassen. Gekozen is voor alleen maïs; tarwe-GPS zal uit het bouwplan verdwijnen. Andere effecten zoals een verhoogde mestafzet en meer kunstmestgebruik zullen pas in 2006 op bedrijfsniveau worden doorgevoerd.
Snijmaïs: hoge opbrengst en zeer vroeg rijp
In het verleden werd op het high-techbedrijf steeds gekozen voor het snijmaïsras met de hoogste voederwaarde per kg drogestof. Echter, om aan eisen van de derogatie te voldoen moet de totale oppervlakte (zetmeel) voedergewassen, snijmaïs plus tarwe-GPS worden ingekrompen tot maximaal 30% van de totale oppervlakte. Dit heeft geleid tot het verdwijnen van tarwe-GPS uit het bouwplan. Daarom zijn in 2005 ook andere uitgangspunten genomen bij de rassenkeuze van snijmaïs. In de eerste plaats is een ras gezocht met een zo hoog mogelijke voederwaarde en zetmeelopbrengst per hectare. Dit om de hoogproductieve veestapel van het high-techbedrijf, ondanks een kleinere oppervlakte zetmeelvoedergewassen, een rantsoen met voldoende zetmeel te kunnen voorschotelen. Daarnaast was zeer vroege rijpheid belangrijk om na snijmaïs nog op tijd gras te kunnen inzaaien als dat nodig mocht zijn.