Biologische pluimveehouders hebben zich na instelling van de ophokplicht ingezet om de binnen zittende kippen zo veel mogelijk afleiding te bieden. Daardoor heeft deze maatregel slechts bij enkele bedrijven geleid tot ernstige problemen. Dit is de conclusie van een enquête die onderzoekers van de Animal Sciences Group van Wageningen UR hebben gehouden onder biologische legpluimveehouders. Opdrachtgever voor dit onderzoek was het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit.
Alle 132 bij de stichting SKAL gecertificeerde biologische legpluimveebedrjiven zijn benaderd voor de telefonische enquête, waarop een respons kwam van 81%. Van de deelnemende bedrijven bleek vervolgens dat één vijfde geen gehoor had gegeven aan de ophokplicht omdat ze zich rekenden tot de hobbydierhouders. Dit waren bedrijven met minder dan 350 legkippen, de grens waarvoor het bij wet vastgestelde legkippenbesluit van kracht is. Voor vier bedrijven was de ophokplicht aanleiding om te stoppen met hun biologische legpluimveetak. 62% van de pluimveehouders gaf aan dat het welzijnsniveau van de dieren was verslechterd, bij 38% van de bedrijven was dat niet het geval. Op enkele bedrijven na, werden echter geen onoverkomelijke knelpunten gesignaleerd. Om de problemen te beperken, hadden de meeste pluimveehouders extra afleiding aangeboden aan de dieren door het geven van extra stro en het regelmatig instrooien van graan of ruwvoer. Slechts enkelen hebben gebruik gemaakt van de mogelijkheid om de dieren toch buiten te laten door (een gedeelte van) de uitloop af te dekken.
De economische schade die is ontstaan, bestaat vooral uit extra kosten voor arbeid, en aankoop van extra strooisel. Er waren geen duidelijke gevolgen voor het legpercentage en de eikwaliteit. Wel werd de eikleur egaler. Tenslotte gaven veel pluimveehouders aan dat door de media-aandacht rondom de ophokplicht het imago van het biologische ei een ernstige deuk heeft opgelopen. Dit kan de afzet en toekomstige groei van de sector ernstig benadelen.