Zonder veel graskuil van een constante goede kwaliteit, blijkt snijmaïs een welkome aanvulling in het sobere rantsoen van het Lagekostenbedrijf. In december van 2005 is als nieuwe voerstrategie een ander rantsoen op het Lagekostenbedrijf uitgeprobeerd. Dit ruwvoerrantsoen met alleen kuilgras en zonder snijmaïs veroorzaakte echter een daling in de melkgift. De benutting van het voer viel tegen en de krachtvoerkosten per 100 kg meetmelk waren hoger.
Het Lagekostenbedrijf is voortdurend op zoek naar kostenbesparende maatregelen. De verwachtingen zijn dat de teelt van gras in combinatie met veel weidegang op termijn goedkoper kan zijn dan het telen van snijmaïs. Dit vanwege hoge bewerkingskosten van snijmaïs en ontkoppeling van de maïspremie. Daarnaast kan voeren van alleen kuilgras voordelen voor het bedrijf opleveren door minder arbeid en lagere opslagkosten voor voer.
In de afgelopen decembermaand is daarom ervaring opgedaan met de nieuwe voerstrategie. Er werd in die periode alleen kuilgras samen met het zetmeelrijke maïsmeelbrok gevoerd. Er zat dus geen snijmaïs in het rantsoen. In januari is echter weer het “normale” stalrantsoen gevoerd met daarin kuilgras, een beperkte hoeveelheid B-exact brok en daarnaast snijmaïs voor de hoogproductieve koeien.
De resultaten van december 2005 en januari 2006 staan in tabel 1.
Tabel 1: Gemiddelde resultaten van de Montbéliarde en Holstein koeien in december 2005 en januari 2006
|
december 2005 |
januari 2006 |
|
MB |
HF |
MB |
HF |
| |
|
|
|
|
| Graskuil (kg ds/koe/dag) |
14,5 |
14,5 |
6,2 |
7,1 |
| Maïskuil (kg ds/koe/dag) |
|
|
6,6 |
5,8 |
|
Totaal ruwvoer opname (kg ds/koe/dag) |
14,5 |
14,5 |
12,8 |
12,9 |
| |
|
|
|
|
| B-exact (kg ds/koe/dag) |
- |
- |
5,2 |
4,7 |
| Maïsmeelbrok (kg ds/koe/dag) |
4,5 |
4,7 |
- |
- |
|
Totaal voeropname (kg ds/koe/dag) |
18,9 |
19,2 |
18,0 |
17,6 |
| |
|
|
|
|
| Kg melk |
20,6 |
21,2 |
22,0 |
22,4 |
| Vet % |
4,22 |
4,53 |
4,51 |
4,69 |
| Eiwit % |
3,53 |
3,61 |
3,49 |
3,48 |
| Meetmelk (Kg/koe/dag) |
21,4 |
22,9 |
23,5 |
24,5 |
| BSK |
30 |
33 |
29 |
34 |
| |
|
|
|
|
| VEM dekking (%) |
127 |
119 |
107 |
104 |
| DVE dekking (%) |
122 |
108 |
101 |
95 |
| OEB |
645 |
566 |
232 |
309 |
| |
|
|
|
|
| Ureum (mg/100g) |
30 |
27 |
18 |
19 |
| |
|
|
|
|
| Lactatiedagen |
176 |
219 |
140 |
183 |
| |
|
|
|
|
| Krachtvoergift (kg/100kg mmelk) |
23 |
23 |
25 |
21 |
| Krachtvoerkosten (euro/100kg mmelk) |
3.74 |
3.65 |
3.25 |
2.82 |
Het blijkt dat de benutting van het voer in december lager was dan in januari. Dit gold voor zowel de energie als eiwitbenutting. Een hoge energie- en eiwitopname en een lage meetmelkproductie tijdens de periode met kuilgras wijst hier ook op. Ook op stal was verschil in mest en herkauwactiviteit te zien tussen december en januari. “ De koeien waren dun op de mest en daarom erg smerig. Het melken duurde zodoende ook langer" aldus bedrijfsboer Roel Withaar. Uit de VEM- en DVE dekking en het lagere ureumgehalte blijkt dat de energie- en eiwitbenutting in januari verbeterd is. Opmerking hierbij is wel dat er tussen de meet periode in december en januari zeven koeien gekalfd hebben. Volgens Withaar leken de koeien in januari gezonder en de verse koeien starten met een hogere lactatiewaarde dan in december.
Het krachtvoerverbruik van de koeien is licht gestegen in de periode met snijmaïs maar de krachtvoerkosten zijn hoger in december. Vooraf was berekend dat bij een gelijkblijvende melkproductie de krachtvoerkosten per 100 kg meetmelk niet zouden veranderen. Echter de melkproductie viel tegen. De verschillen in ruwvoeropname van de Montbéliardes en Holsteins zijn in beide perioden gelijk.
De ervaringen van het Lagekostenbedrijf met alleen kuilgras voeren zijn niet positief door onder andere de tegenvallende melkproductie en daarmee ook hogere krachtvoerkosten. De graskuil had niet de juiste kwaliteit. Het drogestofgehalte was laag(30%), de voederwaarde en de smakelijkheid wisselde sterk. Deze kuil is in het voorjaar van 2005 gewonnen onder matige omstandigheden waar ook veel bedrijven in de praktijk mee te maken hadden. De resultaten zouden waarschijnlijk beter zijn geweest door een product te voeren met meer dan 40 procent droge stof en een iets later maaistadium. Proberen te wachten met maaien en wanneer het weer het toelaat oogsten bij een drogestofgehalte van minstens 40%. Bij een rantsoen met natte bijproducten moet het percentage drogestof nog hoger zijn. Het Lagekostenbedrijf blijft dus op zoek naar een betere voerstrategie die leidt tot een nog lagere kostprijs.