Snijmaïs oogsten bij 36 procent drogestof voor maximaal rendement

  Nieuws
  Agenda
  Nieuwsbrieven
  Archief
  Nieuws
  2010
  2009
  2008
  2007
  2006
  2005
  2011
  Agenda
  RSS

16 jun 2006
Onderdeel: Animal Sciences Group

Maïsrastypen die verschillen in vroegheid, afrijping (dry down en stay green) en van energietype (zetmeel of celwanden) hebben een gelijk optimaal oogststadium. Het oogststadium waarbij maximaal rendement uit snijmaïs wordt gehaald ligt rond de 36 %. Meer bestendig zetmeel heeft een positief effect op de melkproductie. Veehouders moeten daarom kiezen voor een snijmaïsras met een hoge voederwaarde met vooral een hoog zetmeelgehalte. Dat zijn enkele conclusies uit recent afgesloten onderzoek van de Lelystadse vestigingen van de Animal Sciences Group en van Praktijk Onderzoek Plant en Omgeving van Wageningen UR.

Zowel bij snijmaïs van het zetmeeltype en het celwandtype heeft, binnen het oogsttraject van 28 tot 36% droge stof, vroeger of later oogsten geen effect op de drogestofopname en melkproductie van hoogproductieve melkkoeien. Snijmaïs van een zetmeeltype hoeft daarom niet vroeger geoogst ter voorkoming van te veel bestendig zetmeel. Het afrijpingstype (stay green en dry down) had geen invloed op opname en melkproductie. Het zetmeel energietype gaf een hogere melkproductie dan het type met een betere celwandverteerbaarheid. Bij een groot aandeel snijmaïs in het rantsoen heeft een snijmaïsras van het celwandtype geen meerwaarde ten opzichte van een snijmaïsras van het zetmeeltype. Een hoge zetmeelbestendigheid lijkt juist gunstig te zijn voor de melkproductie maar bij het rassenonderzoek wordt de zetmeelbestendigheid nog buiten beschouwing gelaten. Op dit moment moeten veehouders vooral kiezen voor een snijmaïsras met een hoge voederwaarde met vooral een hoog zetmeelgehalte dat het best is aangepast aan de teeltomstandigheden op het bedrijf.

Tussen de rastypen waren nauwelijks verschillen in optimaal oogststadium. Voor de maximale voederwaardeopbrengst op het veld kan bij gunstige omstandigheden bij een hoger drogestofgehalte geoogst worden (35-40%) dan bij de huidige bovengrens van 35%. Dit geldt echter alleen bij een oogst die voor 10 oktober valt en voor vroege rastypen. Latere rastypen zullen een dergelijk hoog drogestofgehalte in veel gevallen niet bereiken.

In de totale conserveringsverliezen waren geen verschillen tussen de rassen. Bij de stay-green types was de perssapgrens gemiddeld bij 32,5% ds (bij inkuilen) en bij de dry down typen bij 31% ds. Daarnaast produceerden de staygreentypen bij een zelfde ds-gehalte meer perssap. Het oogststadium had een duidelijk effect op de conserveringsverliezen. Voor de Aanbevelende Rassenlijst worden de voederwaardecijfers in het verse product bepaald. Uit het onderzoek bleek dat de rasvolgorde, zoals die in de rassenlijst staat vermeld, voor de voederwaardecijfers niet veranderd door inkuilen.

Door maïsveredeling zijn er grote verschillen ontstaan bij de rastypen vooral bij de factoren vroegheid, afrijpingstype en energietype. Bestaande adviezen houden geen rekening met deze grotere variatie. Daarom is in opdracht van het Productschap Zuivel door Animal Sciences Group en Praktijk Onderzoek Plant en Omgeving (PPO) een omvangrijk onderzoek uitgevoerd naar de invloed van rastype en oogststadium op opbrengst, kwaliteit, conservering en voeding en productie. Van het totale project worden vijf rapporten uitgebracht, inclusief een samenvattend rapport. De eerste vier rapporten zijn nu verschenen.
 
De vier rapporten over het snijmaïsonderzoek kunt u gratis downloaden via de site: http://www.asg.wur.nl/NL/publicaties/


Print nieuwsbericht

Contact
Animal Sciences Group
Herman van Schooten
0320 - 293 438
Herman.vanSchooten@wur.nl
»  meer Contact