De Animal Sciences Group van Wageningen UR (ASG) uit Lelystad gaat het lopende groeiseizoen onderzoeken of het opbrengstpotentieel van grasland en de benutting van stikstof uit kunstmest verhoogd kan worden door kunstmest ondiep te injecteren in plaats van te strooien. Het onderzoek wordt uitgevoerd in opdracht van het Productschap voor Zuivel en in samenwerking met Duport B.V. uit Dedemsvaart.
In de Nederlandse melkveehouderij wordt vrijwel alle kunstmeststikstof aan grasland toegediend door het strooien van korrels. Korrels moeten eerst oplossen en de bodem inspoelen voordat de stikstof door gras opgenomen kan worden. Onder droge omstandigheden blijven de korrels bovenop de grond liggen, en kan een groeivertraging van meerdere dagen optreden. Bij injectie wordt de stikstof, opgelost in water, direct bij de wortels gegeven. Hierdoor kan de opname van stikstof meteen na toediening beginnen, waardoor de grasgroei eerder op gang komt en de opbrengst groter kan zijn. Een snellere opname van stikstof kan ook de verliezen naar het milieu verkleinen, omdat de stikstof minder lang in de bodem aanwezig is.
Het onderzoek wordt uitgevoerd op een hoogproductieve zandgrond (esgrond) voor de duur van één jaar. De veronderstelling is dat door de injectie van vloeibare kunstmest het opbrengstpotentieel en de stikstofbenutting toenemen. Stikstof wordt op drie niveaus (laag, normaal, hoog) toegediend voor de eerste, tweede, derde en vierde snede. Om de verschillen tussen het strooien en injecteren van stikstof goed in kaart te brengen, wordt de stikstofbemesting van één snede zowel in één keer gegeven als in enkele deelgiften gesplitst. Hierdoor is er sprake van toediening op 11 tijdstippen gedurende het seizoen. Als meststof worden KAS (13% N-NO3 en 13% N-NH4) en vloeibare ammoniumnitraat (9% N-NO3 en 9% N-NH4) gebruikt. De vloeibare kunstmest wordt geïnjecteerd met behulp van een door de firma Duport beschikbaar gestelde spaakwielbemester. De resultaten worden begin 2008 verwacht.