Dat blijkt uit een potproef met gras, uitgevoerd door de Animal Sciences Group van Wageningen UR. In de eerste snede na bemesting met drijfmest nam als gevolg van co-vergisting de stikstofopname uit de mest toe van gemiddeld 39 tot 50% van de gegeven stikstof. In de tweede, onbemeste snede, nam de stikstofopname toe van 7 tot 9%. In de derde onbemeste snede was er met 3% opname geen verschil. Over de totale groeiduur nam de stikstofopname (incl. stoppel) toe van 51 tot 65% van de met mest gegeven stikstof. De stikstofopname bij bemesting met kunstmest was met 68% maar weinig hoger vergeleken met de co-vergiste drijfmest.
De consequentie van de snellere levering van stikstof is dat er bij een bemesting minder drijfmest of minder aanvullende kunstmest gegeven hoeft te worden om eenzelfde opbrengst te halen. In bemestingsadviezen wordt rekening gehouden met de nalevering van stikstof uit drijfmest gedurende niet meer dan drie volgsneden. De snellere stikstoflevering kan daarom in de praktijk leiden tot een netto besparing op de kunstmestgift, ook als de nalevering uit co-vergiste drijfmest in volgende jaren wat minder is. De snellere levering van stikstof maakt co-vergiste drijfmest geschikter voor toediening aan bepaalde akkerbouwgewassen.
Het onderzoek werd uitgevoerd als potproef met gras en duurde 15 weken. De potten werden éénmaal bemest door omgerekend ruim 30 ton drijfmest per hectare met zandgrond te mengen. Na zaaien werd het gras iedere vijf weken geoogst. In het onderzoek werden vijf verschillende soorten co-vergiste varkensdrijfmest vergeleken met hun uitgangsmest (vleesvarkensmest). De mestkoppels waren afkomstig van vijf opeenvolgende, identieke vergistingsessies op Praktijkcentrum Sterksel (Noord-Brabant). Tijdens de sessies werden vloeibare bijproducten uit de levensmiddelenverwerkende industrie toegevoegd. Dit waren achtereenvolgens Beukergist, Aardappelzetmeelslib, Kwalizuivel, Maïsweekwater en Rodekoolconcentraat.
Het onderzoek werd uitgevoerd in opdracht van en gefinancierd door het ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM).
De complete resultaten van de proef staan in rapport 19.