Het geboortegewicht heeft invloed op de productieresultaten en het niveau van uitval, in zowel de zoog- en opfokfase als de vleesvarkenfase. Bij een hoger geboortegewicht zijn de productieresultaten beter, en daardoor is het economisch resultaat gunstiger. Vooral bij dieren met een geboortegewicht lager dan 1200 gram is het (economisch) resultaat duidelijk ongunstiger. Dit blijkt uit een onderzoek dat in opdracht van het Productschap Vee en Vlees (PVV) is uitgevoerd door de Animal Sciences Group van Wageningen UR.
De laatste decennia heeft de gerichte selectie op toomgrootte in de zeugenhouderij geresulteerd in een duidelijke toename van het aantal levend geboren en gespeende biggen. Echter, met het toenemen van de toomgrootte is ook het uitvalspercentage van biggen rond en na de geboorte gestegen. Uit de literatuur is gebleken dat lichte biggen twee tot zeven keer meer risico lopen op jonge leeftijd te sterven dan zwaardere biggen.
Start van een big
Het doel van deze studie was het inzichtelijk maken van de invloed van geboorte- en speengewicht op de groei tijdens de zoog-, opfok- en vleesvarkenfase. Daarnaast zijn het niveau en de belangrijkste redenen van uitval bestudeerd in zowel de zoog-, opfok- als vleesvarkenfase. De gevonden resultaten zijn ondersteund met gegevens uit de literatuur.
Downloaden rapport
Het onderzoeksrapport nr. 41, “Relatie geboorte- en speengewicht van biggen met productieresultaten en uitval tijdens de zoog-, opfok- en vleesvarkenfase” kunt u hier downloaden.